gedichten.nl
Gebruikersnaam of e-mail:  Wachtwoord:    Registreren
start rijmen vragen forum links zoek contact gastenboek inhoud











bal bal
rssRSS




Dichters:



Kaart van je gedicht





Garnier Projects


depressie test
burn out test
Angst


tabblad: poezie

< vorige | alles | volgende >

poezie (nr. 2010):

Zomergenot en Almanakken-Koorts.

AAN MIJN VRIEND S. J. VAN DEN BERGH, DE REDACTEUR DER „AURORA”, NA ZIJN UITSTAPJE NAAR ENGELAND EN SCHOTLAND.

Kleed vol geuren en vol kleuren,
Balsemkruik voor long en lijf,
Roepstem om het hoofd te beuren
Boven huiszorg en bedrijf;
Jaartij dat ons noodt: Kom buiten!
Zamel van mijn overvloed,
Hoor mijn zangers ’t loflied uiten,
Zo weldadig en zo zoet!

Zomer, wie u kon genieten
En uw wondren gadeslaan,
Wie uw bronwel mild zag vlieten,
Wie uw hallel mocht verstaan,
Kan de zegen niet omvatten,
Die er op zijn paden viel,
Heeft geen woorden voor de schatten,
Die hij opnam in zijn ziel.

Zelfs de wrevel moet het staven,
Die soms bij uw rijkdom mort,
Hoe ge met miljoenen gaven
Dank en ondank overstort.
Weelde, die een woord laat lezen
Van een rijker erfenis,
O, hoe schoon ’t wel daar moet wezen,
Waar geen wrok of wrevel is!

Vriend, wel mocht ge u eens ontscheuren
Aan uw onverpoosde taak,
Om wat voedsel te gaan beuren
Voor uw schoonheidszin en smaak.
Hoordet gij de stem des Heren
Boven rots en waterval,
Sprak ze u toe in Schotlands meren,
Blackgangschine of Arroquharsdal.

Mij ook heeft de zomerweelde
Hart en hoofd verfrist, gevoed,
’t Sijsje, dat zijn liedje kweelde,
Bracht mij vaak zijn morgengroet.
’k Blikte rond in schone dreven,
Was ’t wel Wight of Wallis niet,
’k Zag een vrolijk landlijk leven,
Ruime hemel, wijd verschiet.

’k Heb langs Rijswijks klaverweien
Rondgedoold met vrouw en kroost,
’k Mocht me meer dan ooit vermeien,
Waar ’k me jong reeds heb verpoosd.
Onder popelen en linden
Gaarden wij genot en lust,
Of wij gingen ’t plekje vinden
Waar de ons lieve zanger rust.

Spreidde ook onder Hooglands dennen
U natuur meer pracht ten toon —
’k Weet: gij zult het niet miskennen,
’t Needrig kleed van Hollands schoon.
Ieder plekje stemt tot loven:
Weide en akker, rots en dal
Hebben ’t eigen luchtruim boven,
En Gods zon schijnt overal.

Kan men ’t niet verheven roemen —
’t Uitzicht op de Delftse vliet,
Wie het plat of stijf mag noemen —
Weissenbruch of Waldorp niet.
’k Heb er ook mijn best genoten,
Riep de stad mij daaglijks: keer!
Nooit heeft mij de tocht verdroten
Met de jaagschuit heen en weer.

’t Rundvee in de poldervlakte,
’t Kleurenrijk op bloem en blad,
’t Visje dat de henglaar pakte,
’t Dreunen van het karnenvat.
’t Praatje met de groenteboeren,
’t Kijkje naar de duiventil —
Alles kan tot weelde voeren,
Als men het maar grijpen wil.

TOLLENS liet ik tot mij spreken
Door zijn „Avondwandeling”;
Ach, wie kwam de draad verbreken
Van mijn zoete mijmering?
Briefjes waren ’t van de vrinden,
Redacteurs met drang en klacht;
Zetten, drukken, vouwen, binden,
„Holland” roept: „Aurora” wacht!

Die herinring, dat de rente
Van de zomer rijpen ging,
Sloeg mijn dolce far niente
Met een vreemde huivering;
’t Was de koorts der almanakken,
’t Was de plaag mij wel bewust —
’k Borg in ’t diepste van mijn zakken
Al de stoorders van mijn rust.

Was ’t niet heus — ik liet ze klagen,
Niet tot leed van kind en vrouw,
’k Greep bij schone najaarsdagen
Nog de zomer bij de mouw;
Kwamen nieuwe vleiers flemen —
Wie er ook iets vreemds in ziet —
’k Zie: ’t is tijd om op te nemen,
Tijd tot geven is ’t nog niet.

Daar kwaamt gij, en lang niet zwakker
Dan als altijd, schudde ook nu
Uw rappel de dromer wakker:
„Op! Aurora noodt ook u!”
Heerlijke Septemberdagen
Boden nieuwe lentepracht,
Wie kwam me uit de Eden jagen?
’t Was die dolle boekjesjacht.

Redacteur, wie u ook vetert,
Wie u zelfs vervelend vindt,
Heus! je bent nog niets verbeterd
Door onze Amsterdamse vrind.
’k Stop je mond maar, wat beliefje,
Rijdermeester van Auroor?
Heb je zin soms in dit briefje:
’k Zal het u niet weigren, hoor!

Wist gij ’t zó nog te overleggen,
Dat men d’ afrit later nam,
’k Zou er dolgraag bon op zeggen,
Zo ’t uw pleegkind goed bekwam;
Als ge wist hoe ’t mij verveelde,
Briefjes, prentjes en zo voorts,
Och, dood toch de zomerweelde
Niet door de Almanakken-koorts!

schrijver

Schrijver: W.J. van Zeggelen
Inzender: Redactie, 12-08-2007

infoatgedichten.nl



balBiografie van deze schrijver





Geplaatst in de categorie: vakantie

Zoek naar vergelijkbare inzendingen


Deze inzending is 1127 keer bekeken

3/5 sterren met 6 stemmen.







Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

Naam:       E-mail:  

Bericht:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)









start  |   rijmen  |   vragen  |   forum  |   links  |   zoek  |   contact  |   gastenboek
inhoud           snelsonnet           gedichten           netgedichten
poëzie       hartenkreten       nederlands.nl
adverteren
vrijwaring