start rijmen vragen forum links zoek contact gastenboek inhoud

Dichters:

Hieronymus van Alphen
(1746 - 1803)
Th. van Ameide
(1877 - 1955)
Seerp Anema
(1875 - 1961)
Gentil Antheunis
(1840 - 1907)
R.H. Arntzenius
(1777 - 1823)
Frans Bastiaanse
(1868 - 1947)
Nicolaas Beets
(1814 - 1903)
Jacobus Bellamy
(1757 - 1786)
Willem Bilderdijk
(1756 - 1831)
Dop Bles
(1883 - 1940)
Pieter Boddaert
(1766 - 1805)
Marie Boddaert
(1844 - 1914)
Hein Boeken
(1861 - 1933)
Adrianus Bogaers
(1795 - 1870)
Salomon Bonn
(1881 - 1930)
G.H.J.E. Boswel
(1830 - 1874)
P.C. Boutens
(1870 - 1943)
Jan van Brabant
(1253 - 1294)
Gerbrand Bredero
(1585-1618)
Jopie Breemer
(1875 - 1957)
Jan Brester
(1805 - 1862)
Eduard Brom
(1864 - 1935)
Gaston Burssens
(1896 - 1965)
Jan Campert
(1902 - 1943)
Dirk Camphuysen
(1586 -1627)
Jacob Cats
(1577-1660)
August van Cauwelaert
(1885 - 1945)
Jan F.E. Celliers
(1865 - 1940)
Charivarius
(1870 - 1946)
René de Clercq
(1877 - 1932)
Abraham van Collem
(1885 - 1933)
D.V. Coornhert
(1522 - 1590)
Frans de Cort
(1834 - 1878)
Isaac da Costa
(1798 - 1860)
Louis Couperus
(1863-1923)
Johan Danser
(1893 - 1920)
Louis Davids
(1883 - 1939)
Jeremias de Decker
(1610 - 1666)
Aagje Deken
(1741 - 1804)
Lodewijk van Deyssel
(1864 - 1952)
Anthonie Donker
(1902 - 1965)
Jan van Droogenbroeck
(1835 - 1902)
Heiman Dullaert
(1636 - 1684)
Prudens van Duyse
(1804 - 1859)
Frederik van Eeden
(1860-1932)
Jan Engelman
(1900 - 1972)
Margriet van Essen
(1751 - 1793)
P.N. van Eyck
(1887-1954)
Rhijnvis Feith
(1753 - 1824)
P.A. de Génestet
(1829-1861)
Guido Gezelle
(1830-1899)
Willem Gijssels
(1875 - 1945)
J.J.A. Goeverneur
(1809 - 1898)
Herman Gorter
(1864 - 1924)
Geerten Gossaert
(1884 - 1958)
F.H. Greb
(1813 - 1868)
Alex Gutteling
(1884 - 1910)
Hadewych
(.... - 1248 )
Abraham de Haen
(1707 - 1748)
Jan Hammenecker
(1878 - 1932)
Willem van Haren
(1710 - 1768)
J.P. Hasebroek
(1812 - 1896)
Lucas de Heere
(1534 - 1584)
Alfred Hegenscheidt
(1866 - 1964)
J.P. Heije
(1809-1876)
Frederik Hemkes
(1854 - 1887)
Emanuel Hiel
(1834 - 1899)
Cornelis ten Hoet
(1794 - 1831)
W.J. Hofdijk
(1816 - 1888)
O.C.F. Hoffham
(1744 - 1799)
Cornelis Honigh
(1846 - 1896)
P.C. Hooft
(1581-1647)
Gerrit C. van 't Hoog
(1869 - 1951)
Adriaan van der Hoop
(1802 - 1841)
Johannes Immerzeel
(1776 - 1841)
Daniel Jonctys
(1611 - 1654)
Pieter Boddaert jr
(1766 - 1805)
P.L. van de Kasteele
(1748 - 1810)
Petrus Kasteleijn
(1746 - 1794)
J.J.L. ten Kate
(1819 - 1889)
Remy van de Kerckhove
(1921 - 1958)
P.F. van Kerckhoven
(1818 - 1857)
Johannes Kinker
(1764 - 1845)
Barend Klijn
(1774 - 1829)
Willem Kloos
(1859 - 1938)
Edward Koster
(1861 - 1937)
Jan Krul
(1602 - 1644)
Johan de Laet
(1815 - 1891)
Omer Karel de Laey
(1876 - 1909)
Pieter Langendijk
(1683 - 1735)
E. Laurillard
(1830 - 1908)
Karel Ledeganck
(1805 - 1847)
Aart van der Leeuw
(1876-1931)
C.L. Leipoldt
(1880 - 1947)
Jacob van Lennep
(1802 - 1868)
J.H. Leopold
(1865-1925)
Hans Lodeizen
(1924 - 1950)
Adriaan Loosjes
(1735 - 1813)
Cornelis Loots
(1765 - 1834)
Jacobus van Looy
(1855 - 1930)
Rosalie Loveling
(1834 - 1875)
Virginie Loveling
(1836 - 1923)
G.W. Lovendaal
(1847 - 1939)
Jan Luyken
(1649 - 1712)
Eugène Marais
(1872 - 1936)
Cornelis van Marle
(1765 - 1834)
Hendrik Marsman
(1899 - 1940)
Lodewijk Mercelis
(1857 - 1918)
Willem de Merode
(1887 - 1939)
Marie Metz-Koning
(1864 - 1926 )
Bernard van Meurs
(1835 - 1915)
V. de Meyere
(1873 - 1938)
Richard Minne
(1891 - 1965)
Pol de Mont
(1857 - 1931)
J.A. dèr Mouw
(1863-1919)
Hendrik Muller
(1855 - 1927)
Multatuli
(1820 - 1887)
Alice Nahon
(1896 - 1933)
Fiore della Neve
(1849 - 1934)
J.L. Nierstrasz
(1796 - 1828)
Pieter Nieuwland
(1764 - 1794)
Jan van Nijlen
(1884 - 1965)
Jan van der Noot
(1539 - 1595)
W.G. van Nouhuys
(1854 - 1914)
Willem Ockerse
(1760 - 1826)
Karel van den Oever
(1879 - 1926)
W.F. Oostveen
(1849 - 1890)
Paul van Ostaijen
(1896-1928)
Piet Paaltjens
(1835-1894)
Lucas Pater
(1707 - 1781)
François Pauwels
(1888 - 1966)
Augusta Peaux
(1859 - 1944)
Hendrik Peeters
(1825 - 1893)
W.L. Penning
(1840 - 1922)
Jacques Perk
(1859 - 1881)
Edgar du Perron
(1899 - 1940)
Petrarca
(1304 - 1374)
Hubert Poot
(1689-1733)
Elisabeth Maria Post
(1755 - 1812)
E.J. Potgieter
(1808 - 1875)
G.H. Priem
(1865 - 1939)
Jan Prins
(1876 - 1948)
Jacob Winkler Prins
(1849 - 1907)
Antony Winkler Prins
(1817 - 1908)
Jeanne van de Putte
(1907 - 1930)
Hilda Ram
(1858 - 1901)
Soera Rana
(1845 - 1920)
Sebald Rau
(1801 - 1887)
Joannes Reddingius
(1873 - 1944)
J.K. Rensburg
(1899 - 1943)
Piet van Renssen
(1902 - 1936)
Jacobus Revius
(1586 - 1658)
Hendrik Riemsnijder
(11744 - 1825)
Giza Ritschl
(1869 - 1942)
Albrecht Rodenbach
(1856 - 1880)
Anton L. de Rop
(1837 - 1895)
H.C. Rümke
(1893 - 1967)
Herman Salomonson
(1892 - 1942)
Arnold Sauwen
(1857 - 1938)
Carel Scharten
(1878 - 1950)
Pim Scheltema
(1921 - 1947)
J.B. Schepers
(1865 - 1937)
Hendrik Jan Schimmel
(1825 - 1906)
Lieuwe Schipper
(1808 - 1870)
Jules Schürmann
(1873 - 1927)
Adam Simons
(1770 - 1834)
Jan Jacob Slauerhoff
(1898 - 1936)
Hajo Spandaw
(1777 - 1855)
Koos Speenhoff
(1869 - 1945)
A.C.W. Staring
(1767 - 1840)
Johann Stellwag
(1876 - 1949)
J.J. de Stoppelaar
(1884 - 1945)
Nico van Suchtelen
(1878 - 1949)
Helene Swarth
(1859 - 1941)
Geert Teis
(1864 - 1945)
Hilarion Thans
(1884 - 1963)
J.A. Alberdingk Thijm
(1820 - 1889)
Theo Thijssen
(1879 - 1943)
C.P. Tiele
(1830 - 1902)
Felix Timmermans
(1886 - 1947)
Hendrik Tollens
(1780 - 1856)
Dirk Jelles Troelstra
(1870 - 1902)
Emile Verhaeren
(1855 - 1916)
August Vermeylen
(1872 - 1945)
Hugo Verriest
(1840 - 1922)
Albert Verwey
(1856 - 1936)
Jan Veth
(1864 - 1925)
Roemer Visscher
(1547 - 1620)
Tijs Volker
(1892 - 1979)
Joannes Vollenhoven
(1631 - 1708)
Joost van den Vondel
(1587 - 1679)
I.P. de Vooys
(1875 - 1955)
Duco Vorster
(1880 - 1953)
Carel Vosmaer
(1826 - 1888)
Julius Vuylsteke
(1836 - 1903)
Laurens van der Waals
(1885 - 1968)
M.H. Werkman
(1884 - 1953)
Jacob Westerbaen
(1599 - 1670)
Erich Wichmann
(1890 - 1929)
M.A. de Wijs-Mouton
(1873 - 1935)
Ernst von Wildenbruch
(1845 - 1909)
Pieter van Woensel
(1747 - 1808)
Betje Wolff-Bekker
(1738 - 1804)
W.J. van Zeggelen
(1811 - 1879)
Willem Zuidema
(1859 - 1937)

tabblad: poezie

< vorige | alles | volgende >

poezie (nr. 4437):

Aan Sarbiewski

Dat vrij der vorsten naam, door slavenhand
In rotsen uitgehouwen, praal!
Dat standbeeld en altaar, hun razernij,
Het bevend mensdom leer'!
De tijd schuurt hunne naam van 't outer af;
De mensheid trekt de voet terug,
Wen zij een beeld in 't dreigend wezen trapt,
En gilt: hier ligt een Vorst!
Veel eedler is uw lot, o gij! wiens naam
Mijn staam'lend lied eerbiedig noemt,
Die naam, die door uw lied vereeuwigd blinkt
En leeft en leven doet.

Sarbiewski! ja! 't gedenkstuk dat ge u zelf,
En met u zelf, uwe eeuw, uw volk,
Hebt opgericht, staat vaster dan arduin
En vreest geen ondergang.
't Bewondrend oog ontvalt een eed'le traan,
Uw lied ontvonkte 't eerst mijn vuur! -
Nu gloeit dit vuur in 't grootser kloppend hart
Voor U, en 't geen gij zingt. -
Gelijk het land, door hete dorst gescheurd,
Wen 't zeeg'nend oog des Eeuw'gen wenkt,
De regen drinkt, terwijl de dankbaarheid
In rozengeuren stijgt:
Zo leefde 't eerst door u mijn dorre ziel. -
Ik dronk verrukt die wellust in!...
En 't leven dreunde mij door de aad'ren toe:
‘Gij zijt onsterfelijk!...’
Omhoog, mijn ziel!... gij zijt onsterfelijk!
Omhoog nu gij Sarbiewski zingt! -
Sarbiewski! Ja wanneer ik u betracht,
Is alles ziel in mij.
Wanneer uw lied, door Engelen benijd,
Ter eer des Eeuwgen horen doet
Hoe pool aan pool door 's donders stem geschud,
Zijn naam al bevend noemt,
Dan beve ik. Maar als gij in kalmte God
Ook dan als uwe vader maalt,
Dan wage ik het, en sla 't gelaten oog
In 't dodend aangezicht. -

Gij zingt, hoe God in 't ongenaakbaar licht
Der stervelingen lot bestuurt,
Hoe eeuwge wijsheid, bij onperkbre macht,
Onpeilb're goedheid paart.
Gij toont mijn ziel, 't verzadigend geluk
Door 't treurig floers des levens heen,
Gij ziet van verre op 't rusteloos gewoel
Des dwaze sterflings neer.
Zo ziet de top van grijzen Carpates,
Wen 't eeuwig ijs de morgen voelt,
Met woeste grootheid op der volken nacht
In volle middag neer.
Maar als uw lied, in englenharmonie,
Gods eeuwge mensenliefde zing,
En d'eeuwge bron der liefde, Jezus, zingt
Door Jezus zelf bezield.
Dan gloeit, dan leeft in mij het edelst vuur,
Aanbiddend sla 'k met u een oog
Op hem. Ik voel de weerschijn van die gloed,
Ik voel de onsterflijkheid!
Als dan uw ziel, met meer dan Seraphs vlucht,
Ver boven 't scheemrend licht der zon,
In d' oceaan der Godheid zich verliest,
Wie volgt... wie zingt u dan?
Ge ontvliedt me!... Neen, gij keert op aard terug,
Allengskens nader toont zij u,
Hoe volk bij volk door 't oorlog ligt verwoest
Of door de vrede bloeit.
Dan drukt u de eer des vaderlands op 't hart;
Hoe gloei ik als uw lied de Pool
Te wapen roept, en op onsterflijke eer
Door dood en bliksems wijst.
Gelijk de Vistula en rots en bos
Terneergedonderd met zich voert,
En springt omhoog in schuimende triomf,
Van bergen toegejuicht:
Zoo voer me uw lied op 't bloedig oorlogsveld,
Verrukking geeft mijn vuist de dolk;
'k Hoor niets dan u, bij 't dondren van 't geschut,
En ben onsterfelijk!-
Had zo uw lied geklonken, toen de wraak,
In 't land, door God weleer betreên,
Barbaren, en met hen, verwoesting, nacht,
En eeuwge naarheid zond;
De heilige as van Isrels grootste Vorst,
Zo groots bezongen in uw lied,
Was nooit, ontbloot van helden tegenweer,
Door trotse voet vertrapt.
Hoe blakend vloog zijn ziel u te gemoet
Toen uwe ziel deze aard verliet;
Gij wierd zijn vriend, daar waar Orion blinkt,
Met werelden omgord.-

Toen rustte op u der Serafijnen oog;
De harp van 's hemels Vorsten zweeg,
Tienduizend aan tienduizend zwaaiden u
Des hemels palmen toe.
Ook zij, wie God, in 't sterflijk stof gehuld,
het eerst een zaalgend lachje schonk,
Zag u, en sloeg, door u te hoog verheft,
De onsterflijke ogen neer -
En bloosde, als toen de bloem van 's hemels jeugd,
Op eeuwge onschuld godlijk trots,
Het zaligst woord haar horen liet, dat ooit
Een sterfling blozen deed. -

Verheven ziel! kan 't zijn, hebt gij ook daar
Bewustheid van dees zang, dit hart?...
Sla dan het oog op mij! beziel mijn geest
En leer mij uwe toon! -
Zo zal dees hand, die door uw zang, het eerst,
Nog zwak, 't beschreide speeltuig sloeg,
Ook dan, als 't oog niet schreien kan, voor u
Nog beven op de lier. -

----------------------------------------------

Sarbiewski - een beroemd Pools Odendichter van Latijnse verzen (1595-1640).
Carpathes - het Karpathische gebergte.
Vistula - de rivier de Weichsel

Schrijver: Sebald Rau
Inzender: Redactie, 05-11-2015

infoatgedichten.nl


Geplaatst in de categorie: idool

Zoek naar vergelijkbare inzendingen


Deze inzending is 332 keer bekeken

4/5 sterren met 1 stemmen.



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)