inloggen
voeg je poezie toe dichtwoordenboek

tabblad: poezie

< vorige | alles | volgende >

poezie (nr. 956):

Dionyzos-Studiën III

Nu, lachend, speuren mijn begerige ogen
Naar iedre sater, die ik, marmer zie,
Beschonken, neergezonken op één knie,
De wijnzak drukkende; dra zat gezogen,

Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:
Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,
Krambevende haar lichaam na: gedogen
Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.

Zijn lach grijnst breed; zijn spitse oren trillen,
Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen
Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.

In 't marmer is zijn wil veronverwrikbaard;
Hij weet - en van voldoening spitst zijn sikbaard -
Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!

Dionyzos(1904)

Schrijver: Louis Couperus
Inzender: Lena, 4 sep. 2004


Geplaatst in de categorie: drank

3,0 met 19 stemmen 2.985



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)