Elke dag al ruim voor dag en dauw,
gaat onmiddellijk haar kwebbel aan
Ik vraag: Wat is zij voor een vrouw?
die die kletser zo lang aan laat staan
Van slijtage heeft ze nooit gehoord
of wel, maar is ze ’t geheel vergeten
Wordt die stoorzender ooit ontstoord
ze breekt elk record al voor het eten
Praten, kletsen ze is ‘t nimmer moe
je oren…
aan een flard van een gesprek
Benidorm boulevard
De palmbomen
De blauwe zee
De bankjes
De mensen op de bankjes
Halte Ede-Amsterdam
’t is niet alleen de flard Nederlands
Het is ook haar bril
“Wat een prachtig montuur”
Is mijn reactie en ik mag gaan zitten
Niet in de stilte Coupé
Dan komt de praattrein in beweging
Ik ben een kletskous…
Een kwaadspreekster die er genoegen in schepte iemands naam door het slijk te halen; een kletskous die lasterpraatjes rondstrooide en er haar levenswerk van maakte.
“Ik zou ook de andere richting opkijken als ik haar tegenkwam”, dacht ik toen ik haar bekeek met haar blinkende zwarte nylonjas, haar felle zwarte ogen en vuurtorenrood geverfd haar.…
Zou je wel soms melk te drinken hebben, als ik mijn koeien niet zou melken, kletskous? Zou je soms kleren hebben als ik mijn schapen niet wilde scheren, zwamneus? Loop naar de hel of naar je halleluja-heer en kijk dan maar eens of Hij voor je zorgt. Maar zeur niet verder aan mijn hoofd!…