“te vroeg om op te staan,
te laat om nog te slapen”
alsnog vroeg ze
of ik mee wilde gaan
terwijl ze wist
dat ik wist
wat mij te wachten stond
dit was geen horror in ochtendstand
doch een wildemansrit
rond de honderdtachtig per uur
wat zij minimaal vroeg van pandjesklanten
-zoals zij zei
zij
droeg die strakke rok
tot boven…
Op de prachtige tonen van
de ochtendstond.
Die zich in vele aarden
laat gronden. Verlies ik
nimmer de grote lijnen van
het spel; in de kwartsmaten
die ik al verplaatsend tel;
vertolk ik met de optimistische
halfslachtigheid van een spreken
met twee monden; iets van een vrolijke
levenslustigheid nog niet door de werkelijke
treurigheid verslonden…