een dag kleedt zich aan, rekent zich rijk
smokkelt uren langs mij heen
die ik later terug vind
in abrikooskleurig ondergoed
ik draag 's avonds de verloren tijd
voor de nacht
die haastig de restjes uren ophaalt
alles uitrekt alsof ik geen vrouw ben
een dag kleedt zich, prikt zich
aan schreeuwerige prijskaartjes
raakt ziedend mijn lef…
De overste wil ruimslachtoffers sparen,
Ze smokkelt kippen sluw van a naar b,
Ze pakt ze in karton en sleept ze mee,
Naar plekken zonder slacht en sloopgevaren.
‘Zit stil en rustig,’ schreeuwt Maria boos,
‘De Heer verbiedt het: pikken in mijn doos!’…
Zo smokkelt hij Viagra de grens over, een blauwe, verboden pil die hij slijt aan uitgebluste minnaars. Verder doolt hij langs dampende kroegen. De Cold Cobra vergezelt me. De kogels draag ik in mijn broekzak.…
Maar zoals een dader in de verhoorkamer smokkelt: het voorstellen van de feiten als fictie. Het verzwijgen van de incestueuze werkelijkheid van dit gedicht.
Kun je met een simpele realistische notering poëzie maken?
Sinds ik Vaandrager gelezen heb twijfel ik daar aan: ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant’.…