De vingerafdrukken
van je toewending
nog op mijn huid
kan ik het huis niet uit.
Ik weet je straks weer doende
in dit zo grote huis:
het plooien van de was
het zachte strijken van mijn hemden
het zemen van de grote ruiten
het denken aan de wereld buiten.
Ik kan het huis niet uit.…
Chaos wordt tot de orde geroepen, gebrokenheid tot heelheid, verdeeldheid tot samenwerking, afkeer tot toewending, vijandschap tot verzoening, haat tot liefde. Wat we als pijn en lijden (en dus voor onszelf als kwaad) ervaren, hangt samen met de onvoltooidheid van het proces.…
Even kijk ik om en meen twee fakkels te zien, twee fakkels die zich naar elkaar toewenden, zich in liefde, in dood verenigen.
Thuis.
M’n dagboek waaraan ik alles toevertrouw ligt voor me.
Ik kan niet schrijven.
Huilen, huilen, ik leun achterover om m’n dagboek niet te besmeuren.
Of ik spijt heb van mijn daad?
De toekomst zal het weten.…