Een oog, een lus, een hoge rug,
dat onaanzienlijk takje vlees
dat lopend op zijn tenen stokt.
Een reuzenrad in miniatuur,
een viadukt, een ereboog,
zo vordert hij op weg naar groen.
Als iemand uit het midden leeft
dan hij, hij heft zijn lichaam op,
zijn houten huid kan op zijn kop
en op zijn achterbenen staan,
hij boogt op stilstand…
Een kleur zijn ogen nu zij wind zijn,
het licht uit lucht gesneden.
Lang gras, nog levend hooi,
verminking waar oogst begint.
Ik groef in kleur waar vol de lucht,
in wind waar vol het gras van is,
in golvend gras, in slapend gras,
ik bracht zand aan het licht,
verpulverd weefsel, vacht om in te slapen.
Blad viel, sneeuw viel de bladeren…
Afzonderlijk en los en in een nieuw verband -
een donker dienblad is het land waarin
de scherven zijn verborgen.
Hun roep, niet uit het veld te slaan,
klinkt uit het nachtelijke gras
dat nog niet toe aan groeien is,
hoog en verfijnd.
Het vriest, het vriest bijna, de grond is nat,
alleen die ene stem is over, overal gehoord,
de variant van…