Vandaag draag ik je
naar het zacht geurend gras
Omringd door het neuriënd geklater
van zwoel stromend water
vol van al, dat ons te goede was
Vandaag behaag ik je
tijdens het tortelen der duiven
Bij het zingen van de wind
dat speels de kragen vindt
en het ruisend riet doet wuiven
Vandaag vraag ik je
Laten wij alleen samen zijn
Geef de…
De storm die is gaan luwen
heeft mijn schip verbrijzeld
Zwaar gewond lig ik gegijzeld
op wrakhout in de open zee
In de lucht volgen gedwee
twee zwarte zeezwaluwen
Jij bent niet meer of bent
ver weg, van mij heen gedreven
Met jou de helft van mijn leven
Waarom nam de wind mij niet
Nu sterven, is lichter dan verdriet
Ik heb jou te lang gekend…
Duizend boeken en vele planken
vullen de kamer van mijn pa
Ik heb veel aan hem te danken
Even twijfelend open ik zijn la
Een potlood en een kroontjespen
wat spaargeld voor de trein
In alles is wel iets wat ik herken
en aan alles kleeft z’n zijn
Toen opa stierf huilde je gebroken
Mijn sterke pa, dat kon toch niet
Hier aan jouw bureau ineengedoken…
Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht, die weer buitenwaarts gaat.…
Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad
de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen
en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, 't land in.
Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten
dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden;
alles is zó tastbaar wezenlik, spijts het…
Hier wandel ik in de
schemering
de nacht zo dicht nabij
het is de tijd niet dat
ik nu nog zing
dauw hangt laag over
de vecht en landerij
De stilte heeft zich
al genesteld
in bomen straten en
de stad
in menig huis dooft
men het licht
zij hebben de dag gehad
In de verte blaft een hond
dendert er een trein
ergens gaat een deur op slot…