En als hij in zijn eenvoudig vertrek, dat uitkeek op bomen en duinen, zat aan de tafel waarop men niets zag dan een vel papier, een flesje inkt, een boek met stukjes papier tussen de bladzijden gestoken, dan gingen Homerus, Dante en Chaucer bij hem in en uit, en hij vertelde hoe het nu ging worden, de grote poëzie - want al het andere kon hem niet schelen…
Haar hals, herinner ik me
was een ronde ivoren toren
niet te kort, niet te lang
Sneeuwwitte huid
Sneeuwwitje haar naam
Wie zou er niet van haar houden!
O, haar schouders, stevig
en zacht haar armen en benen
ronde borsten en heupen
rechte rug, volmaakte schoonheid
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand
van wie droomde heel het land?
Allemaal…