In het pakhuis woont mijn suikertante.
Ze heeft het koud in haar stilte.
Ze broedt op haar gedachten
en een kwaad verdriet mengt zich door de nachten.
Ze gaat alleen naar de markt
tussen het rumoer,
het gekrijs van warm aanbevolen appels.
Maar de liederen van de zigeuner stemmen haar mild.…
subtiel is het allang niet meer
de geur verspreidt als smaak nog beter
zoet
en krachtig
als een suikeroom met dikke buik
een suikertante met een kanten rok
frivool en ietwat bleu
haar in krullen
glimlachlang, blote tanden, niet meer bang
voor alles wat er sneu
nog tussen hangt
smaakvol ligt die zachte kracht
te smelten
op mijn tong…
Een suikertante had het hem toegeschoven na het Brood dat heilig smolt op de tong.
(Of kleefde aan het verhemelte)
Toen volgde er een wit lentefeest met appelgebak en de geur van amandelen.
Het fatsoen dreef er in walmende slierten doorheen.
Aan de hoek van de gedekte tafel fluisterde de suikertante tussen haar tanden.…
Dan koop ik meteen die rotsteeg op met de erfenis van mijn suikertante. Zij teert al veertig jaar op een leefloon. Met de pink peuter ik in het rul plaaster, in verkruimeld beton en vind de kogel. Alsof hij door de boter ging. Soms wou ik dat ik in een bunker woonde zonder stroom en deurbel. Dit huis lijkt wel van leem.…