Toen wij op vakantie waren
en continu de tijd vergaten
Onszelf dagelijks moesten samenrapen
Hield je mijn hand vast bij het rennen
Trappen af
Nieuwsgierig naar de winkels
De stad rook verschillend
Maar altijd helder
In de metro, in het park
Tussen de gebouwen
Liepen wij samen,
met vele vreemden,
het museum in…
De regen heeft mij lang geleden
al verbonden met de wereld
Mijn hoofd lijkt zich dan
in de bliksem te bewegen
Alsof de natuur,
in grootsheidswaan, zichzelf
door mij laat sturen
en de rommelende buien
de liefste vrienden zijn…
Volwassenen riep ik: Wat een huiver, wat een pracht!
Het bewustzijn gespleten,
tweemaal nu
En tweemaal gisteren, vannacht
Ik wachtte op het schaduwkind
Vertrapte stenen, wilde dingen
Geluiden van een schaterlach
Maar dan, een blinde spiegelwand
Die lijn bewoog oneindig
Moro deed mee, die schreeuwt en lacht:
De zon blijft eeuwig schijnen…