de dagen slijt hij in een ver verleden
omgeven door stellages met papier
verborgen in een lusthof vol vertier
z’n godentuin kent geen erfdienstbaarheden
het later komt aan hem voorbijgeschreden
in teksten nog geschreven met de hand
wat vroeger was herhaalt zich haast gênant
de nieuwste paden zijn reeds lang betreden
wat is het leven meer…
de zerken staan er keurig in ’t gelid
als soldaten op gemillimeterd gras
exercitie komt nog altijd goed van pas
ook als het lijf de ziel niet meer bezit
hier rusten wat men noemt de Nazi-zwijnen
zij werden bij hun moeder weggerukt
of haastig uit het klaslokaal geplukt
de kronkels van de dood in rechte lijnen
hun noodlot was het om gehaat…
geen uitbarsting van woede
berusting bij oude Fuji
timide rookpluimen
een stille traan van magma
de zoon van de keizer moest gaan
bij het licht van de rijzende zon
naar kolkende krater
aan vreemde stroom
een strelende voet
veroorzaakt eruptie
bescheiden glimlach en
buiging van rijzende ster…
de stilte valt niet langer te verduren
na ware liefde kwam een wreed Ave
ze nam de blije kinderstemmen mee
maar liet de echo tussen kale muren
de straat lonkt om de leegte te ontvluchten
op zoek naar iets, naar God mag weten wat
zo sjok je uren doelloos door de stad
in plaats van sterren pluk je wrange vruchten
verloren in de overvolle straten…
wie zelf niet bakt heeft veel gemakken
geen vieze afwas en geen smerigheid
is van die vette walmen ook bevrijd
op naar de kraam, koop de volle zakken!
om ze daarna thuis weer weg te kwakken
want nog nooit zijn ze zo bruin gebakken
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - -
Het Algemeen Dagblad testte dit jaar…