Eénbenig
spiegel ik me
in een zomerse plas
aan een blauwe reiger.
Wat weinig
veren voor een vogel.
De armen te hoekig
voor sierlijke vleugels.
Maar stilstaan
op één been
kan ik al.
--------------------------------------------------------------
uit: Met armen te hoekig voor sierlijke vleugels,
Altiora Averbode (1999)…
De liefde glipt als fijn wit zand
Tussen mijn verbaasde vingers
Verzet is
vergeefs
Niemand kan een boom scheppen uit planken
Noch een foto nemen van de geur van zuivere sneeuw…