Stond hij
tussen twee vuren,
had hij kunnen ademen:
hij zwom in vlammenzeeën,
weidser
dan de denkbaarste universa,
hij verzoop in golven van haat;
en wraak
donderde hels rond zijn hoofd.
Vloog hij
boven het water,
had hij kunnen nadenken:
hij zakte in waterputten,
dieper
dan zijn bodemloze nachten;
hij verdwaalde in grotten…
de mat moest strak staan
grasgroen
met ’n gat aan ’t eind
niks geen bloemetjes
of paarse kopjes
op ’n hei of ’n hen
wat geen coq is, maar ’n zij-
dehoender bijv.
(wie onthoudt al die vers-
chillen?)
de bomen zijn er
om de wind te breken
verder mogen hunnie
stikken in stof
’t gaat om de zon, of
nou ja
de zoon
nee
’t gaat om geld…