maak 't liefste, beter
een laatste valt me hoog
maak m'n droogte ziedend
kiem mijn zaden vlak
ontdoe je schoonte, naar
onschuld blauwe weiden - je vloeit
uit mijn handen, grip graait je niet
uit mijn handen, ren rot ren
los
gelaten nacht en sterren tegemoet…
je hebt je weg met woorden
je woordeloze weg
je hebt je tegen dralen
beschermd een valstrook breed
je hebt een weg met worden
een wollen tegenzin
je spint je ronde ronnend
je spint je vallend vals…
je spat uit het ogenblik zelf
niet gewekt
de straat nat, glad weerspiegeling
tram onder je raam
en dan:
stoned op een meter van de televisie dichtbij visie
zak patat, dag drie
Ik kriebel over haar buik, bop in haar navel, plop haar schaamte open
Kus mezelf, zes jaar later weer
Spattend in dit blikken spat blik…
De kamer bevindt zich bovenop het dak van het hotel. Het heeft twee ramen, tegenover elkaar - het uitzicht waait het ene raam in, vanaf de daken vol antennes, schoorstenen en dakterrassen, en het andere uit, over het plein, de steile weg omlaag naar het centrum, naar de scheur in het landschap waar de rivier stroomt. Je staat in het midden van de kamer…
- Ik hou van mijn zonnebril, zegt ze.
Smirnoff Ice op tafel en tussen haar duim en wijsvinger een nieuwe Lucky Light.
- Achter een zonnebril kan je je verbergen, kan je zijn wie je wilt. Wat je wilt.
Ik kijk langs haar naar het plein, naar de oranje-bruine bomen. Een toerist gooit een muntje in de lege fontein.
- Je wordt... nietszeggend, zegt…