Vivat mijn spinnerad, mijn schat!
Mijn rok en garenklos, vivat!
Dat kleed me warm en geeft mij brood,
Beveiligt mij voor leed en nood.
Ik spin en zing mijn liedekijn
Bij zomeravondschemerschijn,
Verveel me nooit, ben nimmer mat -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!
Twee beekjes sluiten 't plekje in,
Waar ik al zingend zit en spin…
Gepoeft, gepaft, ge'n hoort niet el,
met wappers en met wissen fel,
als smijten, slaan en buisen,
dat beide uwe oren ruisen,
op vodde en lap en vuil tapijt,
dat ‘t kuilt en wentelt wijd en zijd,
van ‘t stof! De greppen zweren
vervaarlijk, onder ‘t scheren
der groeve en fijne bezems, daar ‘t
gerokte volk mee henenvaart…