Goed toeven moest het zijn waar alles werkte,
een voorbestemd, aanlokkelijk, zalig oord;
extatisch, dringend roepen van de soort-
genoten beloofde voedsel, onbeperkte
vrede en verrukt verkeer. De vlerken
gaven toe aan poten en een ongehoord
snel zakken van de bout, het hart bekoord
door 't zachte wiebelen van het wed -Merkte
nou niemand…
buiten de eendenkooi
leeft hij op de bonnefooi
met de snavel op
losse stukjes brood gericht
hij heeft de epifysestimulatie
niet nodig
hij is al van nature verlicht
kijk zijn hele mooie zwembaan
in het kroos
als een plotselinge windhoos
een ware Picasso
even later is hij een fiasco
is hij door een Alfa Romeo
overreden
zijn krooskunst…
Zomer is het nog in de eendenkooi bij de Derde Tochtweg.
Een man met een juten zak over zijn schouder stapt uit
de brede sloot en gaat naast mij zitten in het gras. Hij zwijgt.
Tersluiks kijk ik opzij en zie een oog met het blauw van een
dooie schelvis na drie dagen. Het speurt de hemel af.…