"Kom Pegasus, mijn trouwe paard,
een godentitel ben ik waard;
gezwind de berg op,
bestorming van de top.
Bij goden zal ik wonen,
de oppergod onttronen;
nog meer eer en roem vergaren,
ja, grote sommen geld bewaren.
Een groot dichter zal ik zijn,
mij sieren wagen, krans en wijn;
de lauwerkrans zal ik krijgen,
een smaak zo zoet als vijgen…
De inmiddels avondlijke donkere laan
Met de lichtval slechts hier en daar
Van wat lantaarnpalen en de huizen
Achter hun zomerse voortuinen
Waar hij schitterend op een filmset
Zich waant en binnensmonds lispelend
Met geaffecteerde stembuigingen
Zijn geheugen traint in het pretentieus
Articulerend oprakelen
Van redevoeringen
En solipsistisch…
Niets zo zorgwekkend als
een gulzige hemelbestormer
die ons naar het oeverloze
oord van oorlogen brengt.
Niets krachtiger dan
beroofd worden toch
besluiten te dansen
onze huid fragiel als rijstpapier…
ik keer niet terug
op mijn schreden
stromend water kent
geen weg terug
ik weeg woorden
noch stappen
als hemelbestormer
verleg ik grenzen
ik ondergraaf de verbeelding
ga aan de rots van zout voorbij
onbeholpen drukt
mijn inbeelding me
met de hakken in
het drijfzand…
op weg naar de
kust raak ik het
spoor bijster
de tijd snelt een gestrand
mens graag met rasse
schreden voorbij
de kraanvogels boven
volgen vastberaden de
reis naar het zuiden
luid trompetterend doorklieven
de hemelbestormers een
blauwgrijze lucht
mijn gedachten
strijken neer in een
armzalig verzanden
kom ik in beweging…