He, lachhart,
met je hart op de tong
struikelend over woorden
door hartstocht bevangen.
Wie je bent zeg je zelf,
dat mocht je willen man,
wat doen dan al die personen in jou
met jou en voor jou en na jou en tegen jou,
je vader, je moeder, je leraar, je buurman,
zij zeggen wat je moet zeggen
en jij bauwt ze na als een papegaai,
die overuren…
Je zit daar
met diezelfde blik
die vroeger alles rechtzette.
De koffie voor je,
al lang koud.
“Recht je rug,” zei je,
zoals vroeger.
Ik glimlach even.
Meer zit er niet in.
Ik probeer het,
maar mijn schouders zakken terug,
ze dragen wat jij niet ziet.
Je handen liggen stil,
maar ik herinner ze anders—
op mijn rug,
duwend,
corrigerend…