Over dorp en over veld
't helderklingend klokske schelt;
oud en jong, de dorpelingen
naadren langs de wegelingen,
ieder op zijn best gepint,
vro en welgezind.…
't Kloksken tikt melankoliek...
't Maakt me monotoon en kranke,
God! ik smacht naar dieper klanken,
'k Heb zo'n honger naar muziek...
Ach..., en zo'k mezelve sus
Met een bloem of een gebêken...
Ziet ge niet mijn lippen smeken...?
'k Heb zo'n honger naar een kus!…
Over 't lachend groene veld
't rinkelend klinkend kloksken schelt,
't werkvolk met der zonne wakker
spreidt al over hof en akker.
't Werk begint met bede en lied,
't wordt al leven dat men ziet.…
opdat wij mensen zouden mijmeren en beminnen innig in plaats van breken
hij droomt den droom der dwaalweeg die nergens noodt noch nerveus naakt noch neuriet
tot aan het einde van de edele stem waar berouw berust en zachtjes blaakt en bloeit
in dit heden hier is hij en is hij niet in nietig niet dat toch vol is en is
toch bloeit hij kloek als kloksken…