Ongevoelig, ruw, koelbloedig
Mag de scherts niet zijn;
Vrolijk, vriendlijk en goedmoedig,
En niet scherp, maar fijn,
’t Lachje, dat zij op doet rijzen,
Zij noch wreed noch wrang;
Glimlachje op de lip des wijzen,
Kuiltje in poezle maagdenwang.…
Voorzeker, ’t is een teedre lust,
Wanneer men ’t blozend roosjen kust
Op lieve maagdenwangen!
Voorzeker, ’t is een dierbaar pand,
Een lieve Maagdelijke hand
Met lip en mond te prangen!…