Rook benevelt me,
mist van de koude sambucca dampen,
ijsklontjes die tranen huilen in het glas,
waar ik niet janken kan,
een onzichtbare man,
verscholen achter een brandend licht,
als motten naar de incomplete leegte,
flokt de vrouwenziel naar het onvulbare eb,
omdat ze moeten,
omdat ik moet,
om te branden,
niet alleen in het glimmende lemmet…
Allegaren van ontuig komen ontuchtig bloedspillen
Omdat ze een Gouden Horde herwerken willen
Alle perken te buiten gaand en caustisch
Ledigen ze oereeuwig in het onvulbaar Faustisch vat
Aan onze klompen voelen we de goesting in de harem
Hostiele hellebaarden zo verwoestend als wat
Vellen op ons smulpapend kruisvaren
Fossiele Turkooise kromzwaarden…
==========
==============
het vlees ligt over de botten
en ze hebben er hersenen aan toegevoegd,
en een enkele keer
zelfs een ziel,
en de vrouwen smijten met
vazen tegen muren,
en de mannen drinken te veel,
en niemand vindt de Ene,
maar blijft zoeken,
van bed naar bed klimmend,
vlees hangend aan botten,
en vlees zoekend dieper dan vlees…