je hebt iets aards
zoals je daar ligt
daar ademt en dampt
je wasemt het leven zoals
zoet zompig veenmos
het wegtikken van tijd
houdt me uit mijn slaap
ik stap uit ons bed
loop peinzend in rondjes
staar door het open raam
krijg het oneindig koud
ik kruip terug bij je…
Jij, groen, ik hield je voor gestorven,
voor uitgeroeid, uitgegroeid,
tussen de groene en ongerepte bossen
door een deken
van zacht groen veenmos heen,
mocht mijn respectievelijke blik
je nog een keer zien
om je een laatste keer,
zoals echter eerder waargenomen
in mijn armen te houden,
betrouwbaar je hete lippen te kussen..…
van een etterbuil, een wonde
dan kietelt zij de tulp, de bol van de magnolia
als de kleuter die net ontwent aan de fopspeen
een kwijldraad verbindt de polen van de magneet
overspant het veld waarin ik doofstomblind wil dolen
tot ik in het maatglas de lauwe palmwijn vang
die zuinig vloeit uit de vouw die ik zelden zomaar vergeet
het veenmos…