Naar De Vecht (1909) van Frans Bastiaanse
Er staat een telefooncel in het park verlaten,
verbleekt blauw met verweerd glas staart hij blind;
laat rondom zwermen smartphones ijdel praten,
géén treedt nog binnen, hooguit een spelend kind.
Maar vroeger troonde hij op pleinen en straten,
was onmisbaar zijn rol, kleingeld werd vlot geïnd;
dienstbaar…
Lijn twaalf haast zich door de stad
de conducteur vertolkt vlot de kaart
bewonderend heb ik hem aangestaard
door mijn geheugen vreet zich een rat
ik herken Overtoom en P.C. Hooft
het Concertgebouw één zwart gat
het orkest heeft dus zijn tijd gehad
als door een paukenslag zit ik verdoofd
Museumplein met Brandenburger Tor
in Zuid beelden…
Voor de winkel van A. Blok, drogist
op de rand van de verlaten kade
roerloos, verhuld door vette mist
sloeg hij het klotsende water gade
achter hem in de gele nevel
door een straatlantaarn fel verlicht
grijnsde een gaper aan de gevel
wachtend tot hij zou zijn gezwicht
vloog boven een zolderraam open
jongen, ik weet wat je in ’t leven mist…