Elke namiddag zie ik hem thuiskomen.
Gebogen gestalte. Klikt het fietsslot dicht.
Ik spring van de vensterbank, trippel blij
naar de deur, hoor zijn stap op de trap.
De deur gaat open. Ik gelijk op mijn rugje.
Kroelende vingers onder mijn kinnetje.
Dan veegt zijn voet mij ruw zijwaarts.
Kan ik wel gaan prakkiseren waarom,
maar al vergeten…
Op het kerkhof de kroeg present.
Gepaste kleding past niet meer.
Toch aangedaan, deze ene keer.
Aangedaan staan rond het graf.
Vaker zakte Nel in de bodem af
om een volle fust aan te sluiten.
Nu komt ze nooit meer boven,
laat daarmee mooi een lege na.
Was tóch moeder der verdrukten,
herdenkt Kees, uit respect zijn stuk
in de kraag gesteven…
Op de grens van lucht en water,
ontbindt zich de drenkeling.
Ooit een mens vol diep verlangen,
is hij nu een chemisch ding.
Onbetreedbaar trekt de wereld
waar hij wandelde voorbij.
Als hij langs komt, vraag hem dan
of hij Daisy heeft gezien.…