Met aktentas op schoot
spreekt een man mij over nut en voordeel
aangaande verzekering omtrent
brand, storm en schade allerlei.
Zijn gezicht: ogen van nat glas
en ruw geweven huid, blauw perkament.
Misschien door de kou gelopen?
Hij vraagt: zijn onderkaak gaat op en neer.
Van het glas voor zijn neus slokt hij water.
Zo loopt het onderhoud…
Ineengestrengeld, rechtop, geknield
en de ogen geneigd naar een zoen,
werpen een man en vrouw
elkaars aangeboren krachten toe.
Hun lichamen vatten vlam.
Bewegingloos lang gestrekt,
en in balans zonder te weten hoe,
gutst er leven in haar schoot:
rechttoe naar een altijd begonnen verleden,
op naar een toekomst die nooit komt.
Ineengestrengeld…
Stormvlagen ramden schuine daken.
Grommende wilde paarden
in hagel, drens en buldervlagen
vielen samen met hoefslagen en donder
uit een machtige torenbrand naar onder.
Brekend krakend bliksemde
braakte de zomerdag zijn zwartste donker
maalde druppels over breed bladergroen
en een wit, pas ontloken weidebloem
met haar hartje geel zo kwetsbaar…
Weg van bittere tijden: onder een glazen stolp
en mild doorzeefd van zeeën zonlicht
over deze middagmeubels, zitten jij en ik
midden ons levenslang vredesbestand.
Wij drinken thee, knabbelen koekjes.
Keuvelen op gezegende leeftijd samen.
Onze vriendschap en huwelijkse band, amen.
Daarmee een schoner eind voegend aan
duizend droeve liefdesverhalen…
Midden het jaarlijks feestgedrang,
overvloed van lampenschijn en zang,
tot beneden in een karige winterstal,
staan jij en ik, - niet van ver gekomen,
weinig koning en veel herder, - gebogen
over de onschuld van een slapend kind.
Van de houten Jozef naar zijn moeder,
zweeft de ouderlijke droom dat hun kleintje,
anders dan voorspeld, zoete…