In blad van hoge bomen
zie ik je hand,
bewogen door de wind
wuivend naar een kind.
In wit van wolken
zie ik je ogen,
kijkend naar beneden
met een milde blik.
In waaien van de wind
hoor ik je fluisteren,
met een gevoel van rust
blijf ik ernaar luisteren.…
en zo sprak zij tot hem
van wat waarachtig waar was
hij stamelde wat woorden
vragend kwam ze niet verder
de leegte van z'n stilte
veraadde een echo van onbegrip
en zo vervreemden ze verder
het scheiden was onvermijdelijk
haar kronkelend pad liep omhoog
dat van hem was van steen
met een voorziene bestemming
aan het einde van een rechte…
als ik het je vraag
wandel je dan mee
samen door de sneeuw
langs bevroren water
is er warme chocomel
dan stoppen we even
voelen onze handen
en praten over later
heb je me ooit nodig
denk dan aan me
ik zal vliegen over bomen
om naar je toe te komen…
als ik je weer zie
maken we een praatje
dat stemt me altijd blij
want weet je
ik herken mezelf in jou
dat blijft me altijd bij
in ons samenzijn
delen we geluk en leed
en ben ik even niet alleen
waarmee ik wilde zeggen
je bent een prettig mens
we komen overeen…