In het lauwe wintergrauw
staan lange dunne takken
kromgebogen
dwingende zwaarte
zucht vanuit hun bruingroene bast
maar kleine lichtgele vingers
hangen in grote getale
overal tussen hen in
strooien poeder van opwekking
naar het neerslachtige hout
de elzenkatjes
voeren gezamenlijk
ingetogen stille strijd
tegen winter die aarzelt…
Vanaf mijn hoge troon
zie ik mijn liefste komen
met elzenkatjes die hij
voor mij heeft geplukt.
Uitbundig mengt zich stuifmeel
met snippers plakkend geel
en vluchtig zweeft de lente
door de lucht.…
Ze zeggen, dat het zomeren zal,
Reeds zwellen alle knoppen,
De elzenkatjes bengelen al
Naast de oude elzenproppen.
-----------------------------------
uit: Laatste verzen (1922)…