als je even te veel
zeurde of klaagde
en het mijn vader
niet behaagde
zei hij met geveinsde
spijt: had ik je maar
in de haag gepist
ja pa had ‘t maar gedaan
maar dan wis je
kwam z’n gniffel
er weer achteraan: dan
was je nu een hagedisje
ma hield niet van dat grapje
je doet dat kind verdriet
het voelt zich niet welkom snap je…
Ik zag een hagedisje in het bos
Hij keek mij aan en leek mij zeer koudbloedig
Ik gaf geen krimp oh man wat was ik moedig
Maar dacht toch even: nu ben ik de klos
Mijn redding was een boreale uil
Die propte het reptiel fluks in zijn muil…
Het zwarte hagedisje
vroeg uit zijn winterslaap ontwaakt
scharrelt traag en verdwaasd
over de koude grond
naar het gele pluimgras
bij het grijze heideven
aan het troosteloze water
wacht een schoon wit gevaar
roerloos staat de zilverreiger
loert met strakke blik
de kleine fijne maaltijd
die zichzelf aan kan bieden
komt steeds dichterbij…