we bewegen hemel en aarde
en treden de tijd met gehavend
hoofd tegemoet
sterk hoewel breekbaar
smeken we Kronos niet noch treuren we
bij de eeuwig rouwende cypres
we leunen tegen een oude boom
heffen het glas op de dingen
die blijven en op vrede
met onze vergankelijkheid…
Zo lang en onstuimig
heb ik het zelfs niet beleefd
in mijn gouden jaren
als het ware
een jonge branie
een wilde god
satansdichtende spinvis
op het droge
titaan van het zuiverste water
a rebel with a cause
een vleesgeworden Zeus
die het stoutmoedig opnam
tegen Kronos, zijn vader
Was hij een nemo, een oudeis
een neo-Odysseus…
nog heel lang duren
ze draaien ooit
voor ieder gelijk
ze dragen nooit
teveel gewicht
ze wijzen terecht
op onze plicht
op ons allerlaatste recht
‘t is een eeuwig gevecht
voor nog meer tijd
om door te gaan
in lexicaal moraal
voor een spiegelverhaal
en gelegenheid
om stil te staan
bij het stilstaan van Kronos…
Zo lang en onstuimig heb ik het
zelfs in mijn gouden gloriejaren never gehad als het ware
Een jonge god, een verwilderde
sater
een satansdichtende spinvis
op het droge
een titaan van het zuiverste
water
een kronos een gladiator
die het tegen Poseidon
durft op te nemen
een nemo een Oudeis
een neo-Odysseus?…
Mijn goede vader, sprak Zeus
tot zijn zonen
Was in zijn jonge vermetele jaren
Een wonderkind, met op zijn hoofd slechts twee haren
Als teken van tijd en van wijsheid,
mijn zonen
Toch was zijn voorkomen niet meer
dan schijn
Zijn uiterlijk droeg hij dan nog wel
met verve
Zijn innerlijk zweeg, was steeds meer
gaan bederven
Wat hij deed…