Het is de wind, die huishoudt
in mijn hoofd, het is een janboel.
Ik schreeuw hem toe, luistert niet,
het lijkt verdorie wel anarchie.
Ik bespeur woede in mijn hart,
mijn mond zwijgt als het graf,
mijn ogen schieten links, rechts,
mijn oren potdicht en met recht.
Dan klinkt de reddende stem
ver weg, hoog boven de wolken.
Mijn tong verlamd…
ver weg
uit het zicht
begraaf ik een droom
radeloos rood gestampt
tot net voor de dood
zich als rots waant
woorden huilen zich los
en scheuren mijn lichaam open
wanneer de misthoorn
kreunt op mijn gezicht
door het brandend geloei
in de nachtstorm
ik kijk nog
een keer om en zie
de bron van mijn ziel
boven wolken
regenrood…
. – Hem overwint
Geen helden-Wälsung, zelfs mijn liefde niet:
‘K voel de as nog, die ‘k de nachtstorm waaien liet
Over de heiden, waar zij speelde als kind.
Was ‘t een apotheoze? Of was de wind,
‘T weerlicht, de wereld één schreeuwend verdriet,
Dat in extatische Walkürenritt
De dode zocht, tot waar waanzin begint?…