sy kust de sonne
met gheloocken ooghen
ende voelt de stralen
van naebij gheluck
’t is als hadde liefde
voor een wijle, teeder,
haer selve nedergeboghen
over haer broose
ontvanckelijckheyt…
Eens zag ik de teedere jongling;
Maar 'k zag hem op d' oever des doods:
Hij kwijnde, en een staamlende vloekstem
Klom op uit zijn minnende borst. -
Ja, snode! - toen zag ik een offer,
Gelijk uwe ziel het begeert! -
Verwoesters der zaligste driften!
Waarom gaf Natuur u die kracht?…
Eén fluisterde dan zo teeder
Van een schoon blauwoogig kind,
Dat hij eens op een zomerconcert zag
En sedert had bemind.
Nooit, zei hij, daalde de zonne
Zóó blozend van wellust in zee,
Als toen hij voor 't eerst háár zag kijken
Naar de goudvischjes van Couvée.…