waar de spotvogel
gorgelde schreeuwde
huilde en de dappere
winterkoning dichtbij de
grond een wormpje zocht
waar de eenzame
zwaan op haar lege
eieren broedde en
in de verte de tere
eendenkuikens zag
daar legde onverhoeds
de nachtdauw een
sluier over mijn hart…
Dalend tot waar zij zat,
Heeft hij uit nevelsluier teer ontwonden
Haar tengre lijf, van tranen en nachtdauw nat.
En diep in 't bos, waar fijne doodverblonde
Blâren bevloeren 't wildomstamde pad,
Ruisen in dans hun lichtverliefde ronden,
Zijn goudnaakt gloriënd om haar lijfs bleekmat.…
De bloemen openen zich traag, hun kelken vol van nachtdauw,
en drinken gulzig ‘t goud dat valt, als was het levenssap.
O, hoe verrast mij dit: het licht onthult niet slechts de wereld,
maar graaft in mij een put van weemoed, diep en donkerblauw.…