voeg je poëzie toe

Poëzie

1859 - 1881

poëzie (nr. 4.976):

Maneschijn

De zon der nacht kwam uit de bergen klimmen,
En zoomt met zilver de afgedoolde wolken:
Het water wentelt ze in zijn blanke kolken,
En doet ze in kabbelende rimpels glimmen;

Door 't glanzend bergwoud dolen doffe schimmen,
Die, slank en trillend, bos en berg bevolken...
De stilte alleen kan al die rust vertolken:
De nacht houdt de' adem in; de rotsen grimmen:

Aan ieder sprietje bleef een dauwdrup hangen, -
De hitte werd door de' avonddauw gevangen,
En geurt er mede uit de aard, die liefde wademt;

De mens luikt vol genot de dromende ogen,
En 't luwtje, als liefde al zoetjes aangevlogen,
Heeft kussend hem de sluimer ingeademd...

----------------------------
uit: Mathilde (1882)

Schrijver: Jacques Perk
Inzender: Redactie, 16 oktober 2025


Geplaatst in de categorie: natuur

3.8 met 16 stemmen aantal keer bekeken 3.105

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!

reageer Geef je reactie op deze inzending: