In het uur dat alles stil wordt
en de nachtschapen zich veilig weten
in hun kraal,
is hij die schim in het kreupelhout.
De rimpelingen in het zwarte water
als hij de oever bereikt.
Zijn plotselinge vlucht, met de storm in zijn poten
de polder in.
Dwalend door het veld,
roept hij naar de gloed van de sterren.
Het is de geur van de grond…
De boerderij is mijn bestaan, al zit er weinig verf op de deuren.
Ik hoef er niet weg en niemand komt.
Ik werk op het land tot ik met uitgeput en bezweet lijf ga zitten.
Daarna sluit ik de luiken.
’s Nachts luister ik naar het ronken van de schepen op de rivier.
Als ik het bed niet warm krijg draai ik een fles open.
Als de vlinders komen…