Op de molshoop bewonderde ik haar licht
Naast de notarisappel, zoetig en zwaar
In ‘t dorre gras staken scheuten naast elkaar
Loevende stralen joegen naar mijn gezicht
Ik, de oorwurm, zag mijn spiegelbeeld verdicht
Haar pantser zwart, gesmolten onyxogen
Bezag haar kin, haar stoere ellebogen
Zij stuwde mij omhoog, wars van elke plicht.…
ik zie mezelf door het oog van de ander
een niet geringe verdienste
ik blijk nog immer een arrogante kwast
en ook niet een van de minsten
zo stel ik al turvend vast
bescheidenheid was mij al jaren
een flinke doorn in het oog
ik twijfelde, kende vele maren
waarmee ik mezelf altoos bedroog
wie zijt gij dan echt vraagt de oorwurm
in…
stemmen echoën in haar hoofd, een raam
dat nooit openstaat, iedere melodie waant
zich een oorwurm, voor eeuwig draaiend
om hem, wat in haar beleving speelde, als
ongecoördineerd strijkorkest, cafés gevuld
en vol van overleden verhalen, bolstaand
van liplezers geroezemoes, lodderige salvo’s
rond halfgare grappenlappers, meegebralde…
En 's nachts als de streepjes heerlijk in hun nestjes sliepen, bestudeerde ik vanuit mijn bed het leven van de mug, de tor, de oorwurm en enkele glimmende kruipertjes waarvan ik niet wist dat zij bestonden. Een leerzame vakantie dus. Voor dag en dauw trapte ik mij de volgende ochtend door de dennenappels in onze pittoresk gelegen voortuin.…
Met een smeuïge oorwurm smaakt de grand cru nog sappiger. Het lijkt alsof hij en schaaldier leegdrinkt. Of hij verdrinkt in een oester. Boven zijn culinaire paleis is een woestijn verrezen. De zon verandert de verse zwarte aarde in rood gebarsten steen. De kok voelt trillingen. Voetstappen van mensen. Hij gilt, klopt, roept, hoopt. Hoopt.…