Op de molshoop bewonderde ik haar licht
Naast de notarisappel, zoetig en zwaar
In ‘t dorre gras staken scheuten naast elkaar
Loevende stralen joegen naar mijn gezicht
Ik, de oorwurm, zag mijn spiegelbeeld verdicht
Haar pantser zwart, gesmolten onyxogen
Bezag haar kin, haar stoere ellebogen
Zij stuwde mij omhoog, wars van elke plicht.…
ik zie mezelf door het oog van de ander
een niet geringe verdienste
ik blijk nog immer een arrogante kwast
en ook niet een van de minsten
zo stel ik al turvend vast
bescheidenheid was mij al jaren
een flinke doorn in het oog
ik twijfelde, kende vele maren
waarmee ik mezelf altoos bedroog
wie zijt gij dan echt vraagt de oorwurm
in…
stemmen echoën in haar hoofd, een raam
dat nooit openstaat, iedere melodie waant
zich een oorwurm, voor eeuwig draaiend
om hem, wat in haar beleving speelde, als
ongecoördineerd strijkorkest, cafés gevuld
en vol van overleden verhalen, bolstaand
van liplezers geroezemoes, lodderige salvo’s
rond halfgare grappenlappers, meegebralde…