De oorwurm en de notarisappel
Op de molshoop bewonderde ik haar licht
Naast de notarisappel, zoetig en zwaar
In ‘t dorre gras staken scheuten naast elkaar
Loevende stralen joegen naar
mijn gezicht
Ik, de oorwurm, zag mijn spiegelbeeld verdicht
Haar pantser zwart, gesmolten onyxogen
Bezag haar kin, haar stoere ellenbogen
Zij stuwde mij naar de toppen, wars van elke plicht.
Ons laven grotesk, het kon niet aan banden
Naast de appel, uit zicht voor mensenhanden
O, golvende hitte, zo onverteerbaar,
Wij dronken sap, zij ‘t mijne, ik van haar
Dorstig lijf, ik moest mijn verlangen sussen
De vlammende spijt kon geen wonden blussen
... Geïnspireerd op sonnetten alhier en het petrarkisch sonnet. ...
Schrijver: Van Xanten27 juni 2026
Geplaatst in de categorie: taal

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!