ik zou de gedichten lezen
en al vrezend zeeg jij neer
bezeerde jouw tere knieën
bijna weer voor de tigste…
mijn glimlach glom zelfs
als pleister op de wonden
jouw zonden verdwenen
in het stralen van mijn…
jij mag mij zeker beroeren
met ruwe handen, je grove
mond mijn naevus kussen
sussend in mijn oren…
je hebt mijn hart zover
opgestookt…
Ik stond te wachten op jou
bij de slagboom van de Spoed
met het bewijs voor het bestaan.
Misschien keek men uit het raam
om te zien of je me kussen zou,
of dat ik zelf iets doen wou.
Het was niet nodig,
ik kleurde al zonder zoen
zoals gisteren samen in de zon;
stralend en afdwalend in elkaar,
in onze ogen,
in een geslaagde poging…