De doodstrompet
De dageraad bekende zijn blauw.
Mijn lichaam werd gevonden door het licht
dat de gordijnen kliefde. Mijn lippen waren een litteken.
Met mijn voeten bloot de trap afgelopen,
mijn ogen volgden niet. Mijn rug keerde zich
naar duisternis en water. Kraakbeen, zenuwcellen
en haarvaten vulden zich, los van elkaar.
Alles voor het eerst, alles voor het laatst.
Daar liep iemand voor mij uit die ik mij
herinneren kon. Ik fluisterde, maar hij keek niet om.
Merels vlogen op toen ze hem verblind
door het raam zagen staren.
Ik wilde ademen, maar er lag een hand
op mijn mond. Groter dan anders
greep ze naar brekend glas. Het was
in de scherven dat ze mij eindelijk vond.
uit: De doodstrompet (De Bezige Bij, 2026)
... grensgebied tussen leven en dood, overlijden ...
Schrijver: Paul DemetsInzender: Josephine Banens, 25 augustus 2026
Geplaatst in de categorie: individu

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!