Nabloei
De ochtend schuift voorzichtig langs het raam.
In de keuken staat de tijd te dampen
uit een kop die langzaam kouder wordt.
Mijn handen kennen inmiddels de traagheid
van oude bomen. Zesentachtig winters
zitten in mijn huid, niet als een last,
maar als jaarringen van doorstaan.
Soms loopt mijn broer weer even met me mee.
In het ritselen van een jas, in een glimlach
die zomaar ergens vandaan lijkt te komen.
Verdriet heeft vreemde voeten:
het leert geluidloos wonen in een mens.
Toch breekt telkens weer het licht open.
Een merel op het dak. Een stoel die wacht
in de zon. De eenvoudige genade
van ademhalen zonder haast.
Ik hoef de dagen niet meer te veroveren,
ik hoef ze alleen nog te ontvangen.
Terwijl buiten de seizoenen hun wetten herhalen,
blijft diep vanbinnen iets onverzettelijks groen.
Alsof er onder de bevroren grond
altijd weer water beweegt.
23 mei 2026
Geplaatst in de categorie: filosofie

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!