Gedichten

gedicht (nr. 5.383):

Maan

De maan als een uit mij gevallen oog,
een iris die te groot was voor mijn kassen.
Het heeft nooit in mijn voorhoofd willen passen.
Ik kon er niets door zien, het leek te hoog.

Nu kijk ik achter sterren en moerassen.
Alles wordt klein en zeeën stromen droog
tot op een traan, om engelen te verrassen,
verdwalend in 't gezichtsveld van mijn oog.

Ik staar door tijd en ruimte als door glas.
Ik zie mijzelf als kind, ik zie mijn vader
toen ik nog in zijn ingewanden was.

Toekomst en ver verleden schuiven nader.
Ik speel bij mijn beide dochters op schoot.
Mijn moeder heft haar beide handen uit de dood.

---------------------------------------------
uit: 'Kijken naar de wolken', 1956.

Schrijver: Adriaan Morriën
Inzender: vm (H), 20 augustus 2026


Geplaatst in de categorie: heelal

2.0 met 47 stemmen aantal keer bekeken 10.565

Er zijn 2 reacties op deze inzending:

Gerhild, 3 jaar geleden
Dit herlezen brengt werelden terug uit vervlogen tijden.
Dank inzender vm!
Sas, 10 jaar geleden
Zelden zoiets moois gelezen. Het roert mijn hart.

reageer Geef je reactie op deze inzending: