inloggen
dichtwoordenboek

tabblad: gedichten

< vorige | alles | volgende >

gedicht (nr. 3848):

Humorloos gedicht

Waar winter schaduw aanblaast op het lijf
verstijft de ademtocht tot kleine rook,
van wellust geel, de appels van het oog,
na-oogst van brakke hoop, beslaan met rijp.

O minnaars, door dit najaar ondermijnd
zijn wel geschraagd door zwart, waarachtig hout
maar staan als stammen, van hun kroon ontzet
met smalle handjes, spin- en bladernaakt

en loven, liefkozen en spelen wel en
wentelen en strelen, eindeloos verstekt
het tedere instinct, dat, winters al verpopt
verstopt, hergeven paradijs verbeidt:

maar ai, dat appeltje, getroond maar ongeplukt,
geluk? behouden aan de hoogste twijg, ge-
neigd tot eerste windvlaag het verrukt,
naar willekeur der zinnen, tot vergetelheid?
---------------------------------------------
Uit: 'In goed en kwaad', 2012

Schrijver: F. Harmsen van Beek
Inzender: lp, 21 Jun. 2012


Geplaatst in de categorie: jaargetijden

2.6 met 5 stemmen 5.741

Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)