start rijmen vragen forum links zoek contact gastenboek inhoud

Categorieën:

actualiteit (30)
adel (2)
afscheid (128)
algemeen (65)
biologie (12)
dieren (178)
discriminatie (1)
drank (10)
economie (5)
eenzaamheid (166)
emoties (543)
erotiek (21)
ex-liefde (88)
familie (52)
feest (34)
film (5)
filosofie (170)
fotografie (16)
geboorte (15)
geld (5)
geweld (22)
haiku (13)
heelal (40)
hobby (12)
humor (129)
huwelijk (31)
idool (13)
individu (331)
internet (1)
jaargetijden (143)
kerstmis (30)
kinderen (157)
koningshuis (7)
kunst (58)
landschap (80)
lichaam (99)
liefde (384)
lightverse (102)
limerick (1)
literatuur (141)
maatschappij (159)
mannen (15)
media (3)
milieu (14)
misdaad (16)
moederdag (3)
moraal (25)
muziek (59)
mystiek (38)
natuur (289)
ollekebolleke (1)
oorlog (92)
ouders (122)
overig (38)
overlijden (156)
partner (42)
pesten (4)
planten (19)
poesiealbum (1)
politiek (15)
psychologie (69)
rampen (14)
reizen (90)
religie (63)
schilderkunst (25)
school (37)
sinterklaas (4)
sms (2)
snelsonnet (16)
songtekst (10)
spijt (22)
spiritueel (1)
sport (42)
taal (97)
tijd (202)
toneel (16)
vakantie (16)
valentijn (3)
verdriet (62)
verhuizen (6)
verjaardag (17)
verkeer (19)
voedsel (28)
vriendschap (45)
vrijheid (74)
vrouwen (32)
welzijn (43)
wereld (87)
werk (54)
wetenschap (21)
woede (12)
woonoord (162)
ziekte (38)

tabblad: gedichten

< vorige | alles | volgende >

gedicht (nr. 5254):

MARSUA

De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem
Lieten hem deinzend achter, Wolfskeel Apollo,
De god die zijn knapen verstikte en zwammen,
Botte messen zong, wolfskeel, grintgezang.

Toen vlerkte hij op, gesmaad,
En brak mijn keel.
Ik werd gebonden aan een boom, gevild werd ik, gepriemd
Tot het water van zijn langlippige woorden in mijn oren vloeide,
Die ingeweld begaven.

Zie mij, gebonden aan de touwen van een geluidloos ruim,
Geveld en gelijmd aan een koperen geur,
Gepunt,
Gericht,
Gepind als een vlinder
In een vlam van honger, in een moeras van pijn.
De vingernagels van de wind bereiken mijn ingewanden.
De naalden van ijzel en zand rijden in mijn huid.
Mij heeft niemand meer genezen.
Doofstom hangt mijn lied in de hagen.
De tanden van mijn stem dringen alleen meer tot de maagden door,
En wie is maagd nog of maagdelijke bruidegom
In deze branding?

(Een bloedkoraal ontstijgt in
Vlokken mijn hongerlippen.
Ik vervloek
Het kaf en het klaver en de horde die op mijn daken
De vadervlag uithangt - maar gij zijt van steen.
Ik zing - maar gij zijt van veren en gij staat
Als een roerdomp, een seinpaal van de treurnis.

Of zijt gij een buizerd - dáár - een wiegende buizerd?
Of in het zuiden, lager, een ster, de gouden Stier?)

Mij heeft niemand meer genezen.
In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.

-------------------------------
Oostakkerse gedichten (1955)

Schrijver: Hugo Claus
Inzender: L.S., 24-10-2016

infoatgedichten.nl



balBiografie van deze schrijver





Geplaatst in de categorie: emoties

Zoek naar vergelijkbare inzendingen


Deze inzending is 2575 keer bekeken

4/5 sterren met 1 stemmen.



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)