inloggen
dichtwoordenboek

tabblad: gedichten

< vorige | alles | volgende >

gedicht (nr. 4149):

VOORBIJGANG

Ruiter en paard zijn voorbij.
De hoefslag dreunt in mijn oor.
De hoefslag herinnert mij
Aan al wat ik was en verloor.

Nu welhaast onhoorbaar vergaat
In de stervende dag het geluid.
Wat is van mijn vroegere staat
Mijn eigen, mij blijvende buit?

Bestaat er alleen voor de geest
Een samenhang? Of is dit schijn?
Is iemand wel één uur geweest
Wat hij altijd had willen zijn?

Lucht, die verduistert tot nacht,
Een tikkende klok op de schouw:
Het gebeurde, vergeefs overdacht,
Verbittert, wat komt, met berouw.

Een hoefslag, een ijdel gerucht,
Is voorbij. En voorbij is het lied.
Het wezen der dingen is vlucht.
Het wezen der ziel is verdriet.

----------------------------------------
uit: HART VAN BRABANT (1936)

Schrijver: Anton van Duinkerken
Inzender: Redactie, 30 Jun. 2013


Geplaatst in de categorie: psychologie

4.0 met 1 stemmen 2.346

Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)