inloggen
voeg je poezie toe dichtwoordenboek

tabblad: poezie

< vorige | alles | volgende >

poezie (nr. 1829):

Een grote dichter word ik nimmer

Een grote dichter word ik nimmer,
‘k Gevoele dit maar al te wel;
Want zing ik, ‘t geldt mijn dorpje immer
En ‘t een of ander beuzelspel.

Ginds zie ik gras en biezen groenen
Langs ‘t vlietje slechts in ‘t dorp gekend,
Daar loop ik in mijn kinderschoenen,
En ‘t dorpje schijnt me zonder end.

Ik hoef daar naar geen lied te zoeken,
Daar klinken liedren overal.
De vreugde lacht uit alle hoeken,
De vreugde woelt op berg en dal.

Er ligt geen plekje op Gods aarde,
Dat mij zo lief, zo jeugdig is,
Dat mij zo veel genoegen baarde,
En zo geringe droefenis.

En daarom zal geen lied mij lukken,
Wanneer ik niet die plaats bezing,
Waar ik als kind mocht bloemen plukken,
In ‘t midden van mijn vriendenkring.

De madelieven en violen,
De vissen in de zilvervliet,
En ‘t blonde meisje uit de molen,
Die werden vaak door mij bespied.

Zo zoet als ‘t meisje was geen suiker,
Als zij tot mij haar stem verhief,
Als zij me dankte voor een ruiker,
En zeide : Vriend, ik heb u lief.

Ik lach om ‘t lot en al zijn grillen
Thans nog als ik aan d’engel denk:
Ja ‘k voel dan nog mijn harte trillen,
Wat euvel ook mijn lichaam krenk’.

‘k Vergeet dan zelfs mijn grijze haren,
En d’afstand van mijn blijde jeugd,
Het bloed rolt frisser door mijn aren,
Als dit en dat mij weder heugt.

Een grote zanger word ik nimmer,
‘k Gevoele dat maar al te wel;
Want zing ik, ‘t geldt mijn dorpje immer,
En ‘t een of ander beuzelspel.

Gedichten (1850)

Schrijver: Johan Michiel Dautzenberg
Inzender: JM, 27 feb. 2007


Geplaatst in de categorie: literatuur

2,7 met 11 stemmen 1.661



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)