Toen Knaap mij de laatste maal knipte
Toen KNAAP mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
'Wat wordt u al grijs!' sprak hij somber,
'Ik vrees, u studeert te sterk.'
En JONGMANS, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
Vater MULLER ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders helemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zo schraal.
En mijn oppasser heeft zelfs de ploert al
Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
Als soms mijnheers begraafnis
Te Leiden plaats hebben mocht.
Maar wie er ook zien en bewenen,
Dat ik zo jong moet vergaan,
Niet hare grijsblauwe oogjes,
En die hebben 't mij juist gedaan.
-------------------------------------------------------------
Snikken en Grimlachjes (Immortellen LX) (1854)
Vader Müller - de Duitse restauranteigenaar in de Breestraat te Leiden
oppasser - verzorger van studenten in de 19e eeuw
ploert - hospes, huiseigenaar bij wie een student een kamer huurde
draagplaats - de lijkdrager zal de dichter (mijnheer in de woorden van de oppasser) moeten dragen,
de ploert huurt daar dan dragers voor in.(1854)
Inzender: Redactie, 4 juli 2026
Geplaatst in de categorie: verdriet

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!