inloggen
voeg je poëzie toe

Poëzie

1868 - 1922

poëzie (nr. 4.749):

Liefde

Meen, zo ik zing, vol liefde zijn mijn zangen,
Niet, dat mijn mond de schamelheid vergat
Van 't hart, dat open stond om vreugd te ontvangen,
Maar, waar de liefde nimmer binnentrad;
Mijn lied is immers vol van uw verlangen,
O Liefde, die ik steeds heb liefgehad!

Waart gij gekomen, toen ik u verwachtte,
Ik had met diepe vreugde u ingeleid,
Waar in het heiligdom van mijn gedachten
Ik reeds vol schroom uw komen had verbeid; -
Nu fluistert mijn verlangen uwe zachte,
Lieflijke naam met grote tederheid.

O Liefde! Zalig zij, die u ontberen,
En hunkren naar de troost van uw gelaat,
Zo ze in hun nood zich niet tot de aarde keren,
En vragen 't aardse brood, dat niet verzaadt,
Wier ziel zich aan de dis van uw begeren
De honger stilt, de hete dorst verslaat.

-------------------------------
uit: Iris (1928)

Schrijver: Jacqueline van der Waals
Inzender: Redactie, 13 november 2024


Geplaatst in de categorie: liefde

3.7 met 20 stemmen aantal keer bekeken 5.851

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!

reageer Geef je reactie op deze inzending: