inloggen
voeg je poëzie toe

Poëzie

1868 - 1922

poëzie (nr. 3.551):

DE NAJAARSLAAN

Ik keek in de gouden heerlijkheid
van een najaarslaan...
Het was, of ik goudene deuren wijd
zag openstaan.
Het werd mij, toen ik binnenging
of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
diep van verwondering.
Ik voelde me eerst als een kindje, dat stout
doet wat verboden is.
Ik sprak: "Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat van louter goud
de gang mijner woning is?"
Toen sprak ik: "Deze gouden grot
is immers geen mensenpaleis."
Ik sprak:"Het is een betoverd slot,
dat lang op sprookjesgewijs
geslapen heeft en stil gewacht,
op één, die de poorten ontdekken zou,
de dode gewelven wekken zou,
van 't huis, dat ieder mensenhuis
te boven gaat in pracht."
Ik sprak: "Hoe ben ik zo rijk, zo rijk!
Hoe ben ik zo rijk mijn God!
Welk aardse woning is gelijk
aan dit, mijn sprookjesslot?"
Trots, of ik een prinsesje waar,
ging ik door 't goud;
aan beide zijden stonden daar,
schragend de gangen, hoog en zwaar,
de zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
hoe zullen dáár de zalen zijn!...
Ik zag aan 't einde van mijn pad
een kleine, ronde poort,
als blauw saffier, in goud gevat,
en haastig, vol verlangen, trad
ik door die gangen voort.
Ik sprak: "Als bij mijn thuiskomst wijd
de poorten openstaan,
in welk een grote heerlijkheid
zal ik dan binnengaan!..
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn
de zalen in te gaan!"...

Nieuwe verzen (1909)

Schrijver: Jacqueline van der Waals
Inzender: Redactie, 15 mrt. 2015


Geplaatst in de categorie: religie

3,6 met 24 stemmen 2.895

Er is 1 reactie op deze inzending:

Naam:
H.Visser Kilwinger
Datum:
18 okt. 2020
Prachtig gedicht zoek dit voor mijn zus
in Canada van 93jaar.

Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)