Toen het nog kon
Glad, rond
gespierd hout
mijn warme hand vindt
koud geribbelde tandjes
muziek glijdt zachtjes
door je naald.
Een morsig randje
pulkend klaar
voor gedraaide propjes
waar een vers geklonken
schuimkraag staat.
Bezwete oksels
onder natte wol
ruik ik Hajenius
als jij harder luistert
naar een zon verschoten
vraag.
Bitterzoet mosterdzaad
vult ons gesprek
en we hoopten
dat we wilden dat we bleven
dat we dachten dat we leefden
dat we voor altijd
kwartjes waren.
Inzender: E. van Xanten, 9 maart 2026
Geplaatst in de categorie: maatschappij

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!